Complementair

Mijn vriendin is bioloog. Daarom kom ik vaak op biologenfeestjes waar ik veel met biologen praat. Biologen en psychologen, zo heb ik gemerkt, kunnen het goed met elkaar vinden. Ze zijn complementair. Een van de mooiste voorbeelden hiervan is de evolutionaire psychologie. Wanneer wij psychologen er niet uitkomen om een gedrag te verklaren, dan kunnen we het ook nog proberen te snappen vanuit de natuurlijke selectie. Sommige gedragingen zijn simpelweg ontstaan omdat ze in de evolutie adaptief bleken om te overleven. Bijvoorbeeld individuele verschillen in coping bij stress kun je zo heel goed verklaren. In elke diersoort blijken er namelijk twee coping-varianten te bestaan (zie o.a. Koolhaas, De Boer, Buwalda, & Van Reenen, 2007). Zo heb je proactieve exemplaren (hoog-agressief en meer actie-gericht) en reactieve exemplaren (laag-agressief en afwachtend). Deze aanlegfactor lijkt behoorlijk dichotoom verdeeld: het is of het een of het ander. Beide varianten, zo hebben de biologen mij geleerd, zijn in de evolutie ontstaan om te zorgen dat de soort kan voortbestaan in zowel een stabiele als een veranderende omgeving. Ook mensen hebben in hun genen waarschijnlijk een bepaalde neiging zitten om bij stress of direct tot actie over te gaan, of juist passief te blijven afwachten. En nou blijkt er ook nog eens een relatie te bestaan tussen een proactieve versus reactieve coping stijl en de afgifte van serotonine in het brein. Een mooie ingang lijkt mij om depressie verder te onderzoeken. Psychologen vullen deze biologische kennis weer aan met belangrijke aspecten die ook en vooral bij mensen gelden, zoals bijvoorbeeld leren, sociale processen en cognities. Biologen en psychologen zijn dus uitermate complementair oftewel aanvullend.

Terug naar de biologenfeestjes. De bioloog waar ik laatst mee sprak vond het een eer en genot om zijn leerlingen op de middelbare school de evolutieleer uit te leggen. Hij kon maar niet snappen hoe het toch kon zijn dat bepaalde mensen nog steeds Darwin aan de kant zetten. Dat ze er nog steeds bewust voor kozen om harde wetenschappelijke feiten te negeren. Om hem te troosten legde ik hem de titel van een recente presentatie van collega psycholoog prof. van Doornen voor: “Wetenschap maakt meer kapot dan je lief is”. Ook op het gebied van de psychologie negeren mensen soms wetenschappelijk aangetoonde kennis. Het is bijvoorbeeld veel leuker om je horoscoop te lezen of een boek over “het enneagram” dan saaie wetenschappelijk onderbouwde stukken over persoonlijkheidsleer. Niet iedereen zit op dit laatste te wachten. Verder blijft er ook in de geneeskunde een hardnekkige behoefte bestaan aan alternatieve, niet-wetenschappelijk ondersteunde benaderingen. Net zoals horoscooplezers en mensen die Darwin verwerpen, zitten alternatieve behandelaars en hun patiënten vaak niet te wachten op de negatieve boodschap van de wetenschap die alles wat in hun ogen goud is tot blik wil maken. Conclusie: biologen zijn niet de enigen met dergelijke frustraties, en kritische wetenschappers zijn lang niet altijd welkom. Ik weet trouwens niet of ik die bioloog toen op dat feestje met dit verhaal wel getroost heb. Ik vrees van niet gezien zijn nog veel radelozer blik.

Veel alternatieve geneeswijzen willen tegenwoordig onder de noemer complementaire geneeswijzen vallen. Dat komt goed uit, want dit stukje gaat over complementair. Maar zijn alternatieve geneeswijzen dan werkelijk complementair, oftewel aanvullend? Als iets mensen echt van hun klachten af helpt, dan wel. Zo hoor je regelmatig dat mensen die hebben gekozen voor een alternatieve behandeling zich daarna wel degelijk beter voelden. Vast allemaal mensen met medisch onverklaarde (psychosomatische) lichamelijke klachten, denk ik dan reflexmatig. Veel reguliere artsen zijn die moeilijke gevallen met medisch onverklaarde klachten liever kwijt dan rijk, en zolang ze naar een alternatieve behandelaar gaan lopen ze tenminste de deur niet meer plat bij huisarts en specialist. Het aanvullende karakter zit hem misschien wel in het beschikbaar houden van de tijd van onze artsen voor de “echte” gevallen.

En toch blijft er in mijn achterhoofd iets knagen. Zijn dit niet allemaal veel te starre vooroordelen? Zit er zo hier en daar toch niet een specifiek werkzaam bestandsdeel? Ook bij onze reguliere behandelingen bestaat de werkzaamheid voor een groot deel uit niet-specifieke factoren en placebo, doen reguliere behandelingen het dan echt wel beter? Ik kan zo al doormalend steeds nieuwsgieriger worden. Als niet-specifieke therapiefactoren ook complementair (aanvullend) zijn aan het specifieke effect in reguliere behandelingen, hoe kunnen we dan eigenlijk op een goede manier specifieke van niet-specifieke therapiefactoren en placebo-effecten scheiden?

Een mooie inspiratie is een recent artikel van Gunter en Bodber (2008) over de werkzaamheid van “Eye Movement Desensitization and Reprocessing” (EMDR) bij de behandeling van Post Traumatische Stress Stoornis (PTSS). Bij EMDR wordt er een negatieve emotionele herinnering opgehaald, samen met de bijbehorende gevoelens en cognities. Terwijl de cliënt hierover een levendige herinnering ophaalt zorgt de therapeut voor bilaterale stimulatie, bijvoorbeeld door met de wijsvinger herhaald heen en weer te bewegen voor de ogen van de cliënt. Uit diverse meta-analyses was al gebleken dat EMDR effectief is bij de behandeling van PTSS. Ook het aanbieden van auditieve stimuli zoals afwisselend links en recht aanbieden van toontje of klikjes bleek te werken. Toch is de EMDR-behandeling nog steeds omstreden en wordt hij door sommigen als een alternatieve behandeling beschouwd. Met name omdat het mechanisme niet begrepen wordt. Alternatief en effectief sluiten elkaar dus niet uit. Gunter en Bodber probeerden met een reeks onderzoeken de EMDR-theorie uit te kleden om tot het “specifieke bot” te komen. Zo bleek EMDR alleen te werken als op het moment van de oogbewegingen de emotionele herinnering actief was. Verder bleken verticale bewegingen ook te werken. En tot slot bleek dat andere afleidende taken zoals tijdens de herinnering een stem op een bandje napraten, een geometrisch figuur natekenen of beoordelen of zinnen semantisch correct waren ook te werken. Het effect lijkt (kort door de bocht) vooral te komen door afleidende processen in het werkgeheugen. Zie verder het artikel voor de gedetailleerde theoretische implicaties van hun resultaten.

Waar het mij hier nu om gaat is dat Gunter en Bodber met dit onderzoek hebben laten zien dat een omstreden doch werkzame behandeling uitgekleed kan worden tot de effectieve kern. De door sommigen aanvankelijk als alternatieve behandeling beschouwde EMDR-aanpak blijkt echt iets complementairs (aanvullends) te hebben op de reguliere aanpak. Door middel van onderzoek naar alternatieve behandelingen kun je dus wel degelijk tot nieuwe reguliere visies komen die relevant kunnen zijn voor nieuwe behandelingsvormen. Wetenschap maakt soms misschien meer kapot dan je lief is, maar het kan ook tot mooie dingen leiden. Wat zou er gebeuren als we andere omstreden behandelingen uit het alternatieve circuit ook eens nauwgezet uitkleden en door onze onderzoeksmolen halen? Uiteraard moet je beginnen met aan te tonen dat een nieuwe of omstreden behandeling echt een effect heeft. Daar kan het schip natuurlijk al stranden. Heeft het een effect, dan halen we het vervolgens a la Gunter en Bodber door de molen. Hierbij zullen we, net als bij reguliere behandelingen, vast en zeker veel niet-specifieke factoren tegenkomen. Maar als we dan een keer wel een specifiek-werkend element van zo’n behandeling wetenschappelijk hebben aangetoond, dan is vanaf dat moment toepassing van deze kennis regulier. Ik vraag mij alleen af of de alternatieve behandelaar na zo’n broodroof niet juist heel teleurgesteld is. Dan maakt wetenschap toch weer meer kapot dan iemand lief is.

Literatuur:

Gunter, R. W., & Bodner, G. E. (2008). How eye movements affect unpleasant memories: Support for a working-memory account. Behaviour Research and Therapy, 46(8), 913-931.

Koolhaas, J. M., De Boer, S. F., Buwalda, B., & Van Reenen, K. (2007). Individual variation in coping with stress: A multidimensional approach of ultimate and proximate mechanisms. Brain, Behavior and Evolution, 70(4), 218-226.

 

Advertenties