De hond

Onze nieuwe buren (waar ik het in mijn vorige column ook al over had) hebben een hond. Sinds ik als kind een krantenwijk had ben ik bang voor honden en ik weet dus erg weinig van deze blaffende wezens. Je kunt een traumatische herinnering aan een hond natuurlijk proberen met EMDR aan te pakken, maar vermijding is voor mij ook uitermate functioneel gebleken. Tot de buren een jaar geleden een hond kregen. Deze hond kon ik niet vermijden en mijn ogen vielen open: honden zijn geen wrede monsters maar lijken net mensen. Ze worden bijvoorbeeld opgevoed. Als puppie krijg je net als peuters zindelijkheidstraining en vervolgens ga je ook naar school. Je begint met puppieklas, dan volgt de basisopleiding I, II en III, en dan kunnen hele slimme honden ook nog een specialistische opleiding volgen tot bijvoorbeeld blindengeleidehond of politiehond. Uiteraard doe je als hond per deelopleiding examen, waarbij ik mij trouwens afvraag of de zesjescultuur ook bij honden al is doorgedrongen. Tot slot – het moet niet gekker worden – bestaan er tegenwoordig zelfs psychologische behandelingen voor honden met mentale stoornissen.

Maar hoe zit het nu eigenlijk met de psychologie en de psychopathologie van die beesten? Veel verder dan de hond van Pavlov reikt mijn kennis hierover niet. Met andere woorden, ik weet werkelijk niets van honden, laat staan van hun zielenroerselen. Mijn buurman bood hulp en kwam met een nuttig boekje aanzetten van de psychologe Alexandra Horowitz, een hondenbezitster werkzaam aan de Columbia University. Vol verwachting begon ik in dit boekwerk te bladeren en kroop ik in de vacht van de hond. Gelijk werd ik al afgerekend op mijn antropomorfisme, de gewoonte om dieren gevoelens, gedachten en verlangens toe te schrijven die van toepassing zijn op mensen. Honden zijn dus niet net mensen. Helemaal fout! Vergeet mijn eerste alinea. Honden zijn juist wanneer je ze als mens gaat beschouwen ondoorgrondelijk; ze zien, horen, doen en (vooral) ruiken namelijk alleen hondendingen.

Bij de hond (en ook bij andere diersoorten) dien je volgens Horowitz echter wel (net als bij mensen) uit te gaan van individuen. Er bestaat dus net zoals de Nederlander niet bestaat (zo ondervond prinses Maxima) niet zoiets als de hond. Individuele dieren verschillen net als mensen in persoonlijkheid, en daarmee misschien ook wel in hun gevoeligheid voor het ontwikkelen van een psychische stoornis. Dit roept de associatie bij mij op met het onderzoek van de bioloog Koolhaas in Groningen. Individuele dieren binnen een soort (van kakkerlak tot koolmees) lijken in aanleg indeelbaar te zijn in de copingstrategie ‘proactief’ of ‘reactief’. Nooit vergeet ik meer het filmpje dat ik ooit gezien heb over de persoonlijkheid van individuele varkens. Wanneer je een varken hebt geleerd dat er om de hoek aan het eind van een gang een lekker hapje staat te wachten, zal hij daar (zodra mogelijk) direct op afstuiven. Maar wat als je om de hoek opeens een onbekend opvallend voorwerp (zoals een rode emmer) in de weg hebt gelegd? Een reactief varken zal hierdoor sterk beïnvloed worden en eerst voorzichtig die emmer benaderen en besnuffelen, en de boel dus eerst verkennen op potentieel gevaar. Dan pas durft hij door te lopen naar het lekkere hapje. Een proactief exemplaar, daarentegen, dendert echter gewoon over die emmer heen alsof deze er niet is en slobbert het lekkere hapje direct gulzig op. Beide copingstrategieën lijken functioneel voor de overleving van de soort en beide subtypen in neiging tot het vertonen van één van deze strategieën zijn nodig. Soms moet je op verkenning gaan en risico nemen om nieuw voedsel of water te vinden, maar soms ook kun je je beter ingraven en niet verroeren. In de ene situatie leggen de reactieve individuen het loodje, in de andere situatie de proactieve. Wanneer je psychopathologie beschouwt als een extreme manifestatie van een op zich voor de overleving functionele eigenschap, dan zouden (kort door de bocht) zeer proactieve individuen meer neigen naar agressie en impulsiviteit, en zeer reactieven naar angst en depressie. Deze neiging in combinatie met een bepaalde omgeving zou er vervolgens toe kunnen leiden dat een dier bijvoorbeeld overagressief wordt of een paniekstoornis ontwikkelt of gaat lijden aan een andere vorm van psychopathologie.

In de diergeneeskunde is inmiddels een nieuwe stroming ontstaan van mental disorders bij huisdieren. Angststoornissen bij honden (‘canine anxiety disorder’ in de literatuur), honden met ADHD, honden en katten met depressie (zelfs postnatale depressie bij katten kom je tegen op internet), een vorm van trichotillomanie bij vogels, alles komt voor. Ter behandeling wordt gedragstherapie aangewend, maar ook het gebruik van psychofarmaca neemt de laatste tijd toe bij huisdieren (zoals Ritalin bij ADHD, of Reconsile – een anti-depressiva speciaal ontwikkeld voor dieren – bij stemmings- of obsessieve compulsieve stoornissen). In november 2009 is in Utrecht een medisch en psychiatrisch centrum voor (lastige) huisdieren geopend. De Nederlandse vereniging van gedragstherapeuten voor honden bestaat ook al, en het wachten is nu nog op de eerste uitgave van de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders for Pets (DSMP-I). Daarin mogen natuurlijk seksuele disfuncties niet ontbreken (denk aan een dekhengst met een erectiestoornis) of ouderdomsproblematiek (denk aan een papagaai met afasie).

Toch zijn er wel kanttekeningen te bedenken bij psychopathologie bij gedomesticeerde dieren. Is dit niet een pure vorm van antropomorfisme en ligt het niet gewoon aan de eigenaar dat hun hond lastig of hun kat ongelukkig is? Angst- en stemmingsstoornissen bij mensen hebben vaak mede met disfunctionele cognities te maken (zoals negatief ingekleurde reflecties op jezelf en de toekomst). Dit kun je niet zomaar transponeren op huisdieren zoals honden en katten. Honden, bijvoorbeeld, kunnen op hun eigen manier weliswaar denken, maar niet zoals mensen reflecteren op zichzelf of op dingen die niet in het hier en nu gebeuren (zo heb ik als hondenleek begrepen uit het boek van Alexandra Horowitz). De hamvraag is daarom of psychopathologie ook voorkomt bij dieren in de vrije natuur. Kunnen bijvoorbeeld leeuwen een paniekstoornis met agorafobie ontwikkelen en daardoor een grasland niet meer over durven steken, bestaan er depressieve wolven die geen fut meer hebben om te jagen, of bestaan er vogels die in de vrije natuur dwangmatig hun veren uittrekken. Ik ben met deze vragen in mijn achterhoofd eens op zoek gegaan in de wetenschappelijke literatuur. Ik typte hiervoor in een wetenschappelijke zoekmachine diverse combinaties in van woorden zoals ‘lion and agoraphobia’, ‘wolf and depression’, en ‘birds and trichotillomania’. Alleen de combinatie wolf (canis lupus, waar de hond van afstamt) en depressie leverde enkele relevante hits op. Maar wat bleek, depressie bij wilde wolven wordt toegeschreven aan inteelt, iets wat (via inperking van het leefgebied van wilde wolven) wederom aan menselijk handelen toegeschreven lijkt te kunnen worden. De hond is (van oorsprong) zo gek nog niet.

Literatuur:

Alexandra Horowitz (2010). De wereld van de hond: Wat honden zien, ruiken en weten. Amsterdam: Uitgeverij Balans.

Advertenties