Kippenbotje

Wij hebben nieuwe buren. Prima mensen, waar wij inmiddels vaak over de vloer komen. En dit zeg ik niet (alleen) omdat hij psycholoog en zorginkoper voor een ziektekostenverzekeraar is en zij zich bezighoudt met de toekomst van de gezondheidszorg in Nederland. Er is slechts een piepklein rimpeltje in ons burencontact: zij zijn voorstander van het elektronisch patiëntendossier (EPD) en ik ben tegen.

Maar waarom ben je in godsnaam tegen, is mij al een paar keer als vraag voor de voeten geworpen, het levert zo enorm veel voordelen op voor zowel behandelaar als patiënt. Zeker in deze nieuwe tijd van groepspraktijken en overbezette artsen is het toch geweldig als iemand gelijk je gehele medische status voor zich ziet. Dat schendt niet je privacy, dat kan je leven redden. Al een paar keer heb ik uitgelegd dat schending van privacy niet mijn probleem is met het EPD. Het probleem is van een heel andere orde, te weten hardnekkige onjuiste informatie. Dit baseer ik op wat mijzelf ooit is overkomen…

Alweer meer dan tien jaar geleden ben ik een keer een paar dagen in een niet nader te noemen ziekenhuis in Amsterdam opgenomen geweest om een enigszins genante reden. Ik was mij, laat op de avond en zeer hongerig, te buiten gegaan aan een Thaise afhaalmaaltijd en daarbij had ik een iets te grote hap genomen. Vreemd genoeg werkt mijn slokdarm iets anders dan bij de meeste mensen, en deze spande zich letterlijk samen rond een stukje onvoldoende in stukjes gekauwd Thais rundvlees. Muurvast. Er kon niets meer in en niets meer uit, wat ik ook deed. Dit had destijds een lang en vooral ridicuul vervolg. Het verhaal is in geuren en kleuren ooit eens opgeschreven door een vriend van me, en je hoeft, tien jaar later, nog steeds geen google-expert te zijn om dit verhaal op internet te vinden; zoek bijvoorbeeld op mijn naam in combinatie met kippebotje (oude spelling). Waar het mij hier om gaat is dat de dienstdoende arts op de eerstehulpafdeling, die ook niet zo goed wist wat hij ermee aan moest, in de diagnostische handboeken slechts één diagnose tegenkwam die een beetje in de buurt kwam: vastzittend kippenbotje in keel. Dit heeft hij toen maar in de status gezet. Een diagnose stellen blijft mensenwerk en dat gaat soms helaas mis. En nu komt het. Hoe hard ik als patiënt ook bleef tegensputteren en bleef zeggen dat ik 100 procent zeker wist dat ik echt géén kip had gegeten en dat de gestelde diagnose dus niet klopte, hij en alle andere artsen die zich daarna over mijn geval bogen bleven hardnekkig weigeren om deze (immers door een arts gestelde) diagnose uit mijn status te schrappen. Uiteindelijk belandde ik op de operatietafel, alwaar de dienstdoende chirurg vlak voordat ik in de narcose wegzonk mij, op grond van wat hij in mijn elektronische status had gezien, meedeelde dat hij dat vastzittende kippenbotje er wel eventjes uit zou halen. Ik leek wel in een horrorfilm beland.

Aan informatie uitwisselen via elektronische statussen, vaak gecombineerd met een aantal vast omschreven in de computer in te voeren codes, zitten beslist voordelen, maar er kleeft dus ook een enorm nadeel aan: eenmaal gemaakte fouten blijven de patiënt achtervolgen. Zeker als, zoals het geval is met het EPD, de patiënt zelf geen eigenaar is van zijn eigen dossier. Nu ga ik het onderwerp van mijn bezorgdheid iets verbreden. Om op juiste wijze en multidisciplinair informatie uit te wisselen via elektronische statussen zoals het EPD, dienen de gebruikers allemaal dezelfde opvattingen te hebben over de juiste diagnose en behandeling en de gehanteerde termen. Mede hierom, en omdat behandelingen liefst evidence-based of in ieder geval concensus-based dienen te zijn, wordt er in Nederland steeds meer gewekt aan de hand van multidisciplinaire richtlijnen. De laatste jaren vliegen dergelijke richtlijnen je ook in de GGZ-wereld om de oren. Zie voor meer informatie www.ggzrichtlijnen.nl. Dit lijkt mij op zich een zeer goede ontwikkeling, omdat het artsen en psychologen en andere behandelaars dwingt dezelfde taal te spreken en te handelen naar de nieuwste wetenschappelijke inzichten. Ook zorgt het ervoor dat cliënten met vergelijkbare problemen overal dezelfde behandeling en adviezen krijgen. Dat zijn goede zaken allemaal. En nu mijn bezorgdheid.

De GGZ-richtlijnen worden (evenals de andere richtlijnen) ontwikkeld door landelijke werkgroepen die hierbij uitgaan van wetenschappelijk onderzoek en praktijkkennis van deskundigen. Helaas, opstellers van richtlijnen maken, net als artsen en mensen, fouten. Daar is natuurlijk door de opstellers op verschillende slimme manieren over nagedacht. Om te beginnen vermelden ze dat richtlijnen slechts een leidraad bieden en dus alleen maar aanbevelingen geven voor goede hulp. Je dient ze te gebruiken als een hulpmiddel bij diagnose en behandeling. Met andere woorden, behandelaars moeten zelf altijd kritisch blijven nadenken. En dit baart mij sinds mijn horror-ervaring in dat ziekenhuis in Amsterdam nou juist zulke grote zorgen. Hoe meer je alles met richtlijnen voorschrijft, en hoe dommer je het werk dus maakt, hoe minder mensen zelf kritisch blijven nadenken. Een ‘kippenbotje-fout’ kan hierdoor lang en hardnekkig slaafs nageleefd blijven worden.

De opstellers van de GGZ-richtlijnen zijn misschien net als ik in hun achterhoofd ook wel een beetje bang geweest voor ‘kippenbotjes’, want ze hebben goed nagedacht over hoe het voor elkaar te krijgen dat hun richtlijnen van A tot Z kloppen en wetenschappelijk up to date zijn. Een nieuw ontwikkelde GGZ-richtlijn dient, in de zogeheten autorisatiefase, uitgebreid voor het licht gehouden te worden met betrekking tot juistheid en compleetheid. Dit gebeurt via het voorleggen aan de besturen van de betrokken beroepsverenigingen (van onder andere artsen en psychologen), en via deze weg komt een concept-richtlijn terecht bij de experts. Pas na inhoudelijke toetsing en bestuurlijke goedkeuring door elk van de beroepsverenigingen wordt de richtlijn van kracht en geldt dan als leidraad voor het professionele handelen voor alle leden van de verenigingen. Met andere woorden, we moeten het dus allemaal geheel over een richtlijn eens zijn voor we deze met z’n allen gaan toepassen. Probleem opgelost: alle kippenbotjes worden eerst vakkundig en multidisciplinair verwijderd. Maar dan moeten we dat natuurlijk wel steeds echt zo doen.

Momenteel is de voorgestelde concept-richtlijn somatisch onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten (SOLK) en somatoforme stoornissen in verband met een paar kippenbotjes nog niet door het NIP geautoriseerd. Ik zou het persoonlijk heel erg jammer vinden als andere beroepsgroepen in de gezondheidszorg (die hem wel geautoriseerd hebben) daar in deze vorm al mee aan de gang gaan. Ga ik het toch eens met mijn nieuwe buren over hebben.

Advertenties