Zin hebben

Een klein zwart vogeltje met fel witte kuif vloog rakelings langs een openstaand raam van het universiteitsgebouw. Het beestje zweefde even boven de binnenplaats en landde op de dakgoot. Vlak naast een iets grotere soortgenoot met rode kuif.

“Heeft het zin denk je?” vroeg de zojuist neergestreken vogel.

“Huh, wat” antwoordde zijn soortgenoot.

“Nou, of het zin heeft?”

“Ik heb altijd zin!”

“Nee, niet dat, of wetenschap zin heeft?”

“Wetenschap?”

“Ja, wat die gasten daar beneden bedrijven, dat bedoel ik.”

Het beestje tikte met zijn snavel omlaag tegen de dakgoot en sprak door:

“Ze willen steeds maar weer de wereld snappen. Neem bijvoorbeeld psychologen met hun experimenten, manipulaties en variabelen. Die willen steeds maar weer zichzelf snappen. Heeft dat zin?”

“Nee, dat heeft geen zin,” zei de andere vogel, duidelijk de wijste van de twee “Maar laat ze nou, maken ze elkaar tenminste niet af.”

“Maar wat als ze erachter komen?” vroeg de kleinere vogel verontrust.

“Waarachter?”

“Nou, erachter, wat dan … dan zijn wij er mooi bij.”

Hij plukte aan zijn staartveren. Een aantal witte pluisjes dwarrelden omlaag, langs de rand van de dakgoot.

“Ze komen er niet achter, nooit, kan niet.”

“En die experimenteel onderzoekers dan, met hun steeds slimmere designs en data analyses, dat zijn slimme gasten hoor.”

Het vogeltje volgde met korte oogbewegingen de pluisjes die als kleine parachuutjes afdaalden.

“Er komt toch steeds wat anders uit,” sprak de wijze vogel “Wat ze ook doen, ze komen er echt nooit achter!”

Ook deze vogel plukte nu wat pluisjes uit zijn staart.

“Er komen anders wel steeds betere artikelen hoor,” zei de kleinere “En al hebben ze het zelf niet goed in de gaten, ze worden wel steeds slimmer. Ik ben er niet gerust op. Neem nou al die hersenstofjes die ze ontdekt hebben. Nee, ik ben er echt niet gerust op!”

“Maar weet je dan niet waartoe hun hersenen dienen,” zei de andere vogel ter geruststelling “Hersenen zijn ontwikkeld om ze af te leiden. Het is door hun hersenen dat ze steeds ergens zin in hebben. En dat doen ze dan. Tot ze weer ergens anders zin in hebben. En dan doen ze dat. Dat houdt ze lekker bezig.”

“Maar wat heeft dat nou weer voor zin?” vroeg de kleinere.

“Ik zei je toch dat het allemaal geen zin heeft!” antwoordde de wijzere.

Een zachte bries voerde de pluisjes afkomstig van beide vogels via het openstaande raam het psychologisch laboratorium in. De pluisjes sloegen neer op het geavanceerde registratieapparaat en werden met de luchtstroom van de ventilator mee het apparaat in gezogen. Binnen aangekomen rolden ze als kleine dobbelsteentjes over de printplaten; minuscule elektrische stroompjes van witte ruis waren het gevolg. De ruis mengde zich met de data tot een fout van de eerste, tweede, nee toch eerste soort….

De kleine geluksvogel en de iets grotere pechvogel fladderden beide tevreden op. Omhoog en verder… als zwarte stipjes richting zon. Tot ze niet meer te zien waren.

Advertenties